Rutger Lemm (1985) interviewde Arnon Grunberg voor de schoolkrant en schrijft al sinds zijn achttiende voor bekende titels als de Volkskrant, nrc.next en Vrij Nederland. Hij is oprichter en ex-hoofdredacteur van het online tijdschrift hard//hoofd.nl en voormalig lid van de Comedytrain. Maar op zijn zesentwintigste belandt het jonge talent in een burn-out. Hij heeft pijn in zijn armen, is verschrikkelijk moe en de apathie neemt bezit van hem. In het meedogenloos openhartige boek Een grootse mislukking beschrijft hij op zowel ontroerende als hilarische wijze hoe het zo ver heeft kunnen komen.

“Een burn-out, concludeerde de huisarts. Mijn eerste reactie was: hè nee. Veel mensen in mijn omgeving hadden een burn-out gehad. […] ‘Ja, ik ben volledig opgebrand door mijn artistieke vrijheid en de sociale druk van Facebook’ Kom op zeg. Dat zou mijn niet overkomen. En nu lag ik daar. Ik vond het allemaal zo ontzettend overdreven van mezelf.” (p. 173)

Durfde je er wel met je vrienden over te praten? Of schaamde je voor je problemen?
‘Mijn vriendengroep is heel erg open. Maar ja, wanneer praat je nou echt met elkaar? Als je elkaar niet zo vaak ziet, kom je vaak niet verder dan de eerste laag van een gesprek: hoe gaat het, waar ben je mee bezig. Niet: hoe gaat het nou echt met je, ben je gelukkig.

Toevallig kregen meer mensen in dezelfde periode als ik met psychische problemen te maken. Bijna iedereen die ik ken is bij een psycholoog, haptonoom of goeroe in therapie geweest. Ik heb me vaak afgevraagd hoe dat komt. Het kan niet dat we een generatie vol aanstellers zijn – hoewel er zeker sprake is van een luxeprobleem. Ik denk dat er sprake is van een gebrek aan balans tussen zelfliefde en zelfredzaamheid.  Een vriend zei ooit tegen me: “Je eist teveel van jezelf als je lief voor jezelf zou moeten zijn, maar je bent te coulant als je misschien even zou moeten doorzetten.” Daar zit veel in.’

“Mijn vrienden en ik waren ook voortdurend bang dat de psycholoog ons zou ontmaskeren als een aansteller. Dat hij een bekentenis zou onderbreken met: ‘Nou is het wel mooi geweest. Ga alsjeblieft weg en maak plaats voor iemand met echte problemen!’ Dit was een onderdeel van ons probleem: we relativeerden onszelf voortdurend weg.” (p.183)

Hoe zag de periode na de diagnose eruit?
‘Ik denk dat ik ongeveer een maand echt verlamd was, in de zin van dat ik veel in bed naar het plafond lag te staren. Ik ben vrij snel weer aan het werk gegaan. Maar het duurde heel lang voor ik dat apathische kwijtraakte. Ik wist niet meer wat ik wilde, ik voelde niks meer. En omdat ik niks voelde, deed ik ook niks.’

Wat heb je gedaan om uit die put te komen?
‘De burn-out werd aangekondigd door RSI-klachten. Dat was een concreet probleem dat ik kon aanpakken. Ik belde een kennis van wie ik wist dat hij ernstige RSI had en vroeg om tips. Dat is hoe mijn brein dan werkt: het speurt alle opgeslagen informatie af, op zoek naar een oplossing. Zo belandde ik bij een fysiotherapeut die wel van aanpakken wist. Ik mocht haar meteen. ‘We gaan je schouders trainen, maar je moet eerst op vakantie’, is wat ze zei.

Op vakantie las ik het boek Leer ons stil te zitten van Tim Parks, een schrijver die eveneens aan onverklaarbare pijnen leed. In navolging van Parks bezocht ik een shiatsumasseur. Dat was een openbaring. In tegenstelling tot mijn fysiotherapeut was hij heel zachtaardig, maar hij wist precies welke spiergroepen hij moest aanpakken. Zowel de fysiotherapeut als de shiatsumasseur maken nu deel uit van mijn vriendenkring. Zo zie je dat een nare periode ook mooie dingen op je pad brengt. Ik denk dat het heel belangrijk is dat je de juiste mensen om je heen verzamelt. Als er geen klik is, werkt het niet. Zo heb ik bijvoorbeeld ook een holistische therapeut geprobeerd, maar daar was ik na één ontmoeting al klaar mee.’

“Ik relativeerde mijn verhaal met grapjes en anekdotes, waar ik geen reactie op kreeg. Sterker nog: naarmate de sessie vorderde leek het alsof ze zich steeds openlijker aan mijn nonchalante houding begon te ergeren. Na een uur zei ze: ‘Zo.’ Ik glimlachte: ‘U heb zeker alle kenmerken van een psychopaat kunnen opschrijven?’ ‘Nee,’ antwoordde ze met een venijnige blik, ‘van een narcist.’” (p. 179)

En je bent ook naar een psycholoog geweest.
‘Ja, hij wist me op subtielere wijze met mijn narcistische trekjes te confronteren dan de holistische therapeut. Narcisme is een beladen term, mensen zien het snel als een belediging – zeker in calvinistisch Nederland. De narcisten zelf zijn dan vaak weer zo zelfingenomen dat ze het probleem niet zien en zelden hulp zoeken. Terwijl het een tragische dynamiek is: achter dat opgeblazen ego zit een enorme kwetsbaarheid. Het gaat steeds op en neer tussen enorm zelfvertrouwen en intense zelfhaat. Ik leerde daar veel over van mijn psycholoog, maar het schoot niet echt op. Hij kon me geen concrete handvatten geven en bleek niet slim genoeg te zijn om door mijn gelul heen te prikken. Ik ben daar een jaar lang elke week geweest en toen was het nog niet echt over.

Niet lang daarna belandde ik in een nog diepere crisis – een depressie met hevige angstaanvallen – en dit keer kwam ik via-via bij een andere therapeut terecht, met de toepasselijke naam dokter Engel. Daar had ik maar tien sessies nodig. Hij liet me nooit uitpraten en maakte veel van wat ik zei belachelijk, terwijl hij me bij andere dingen weer leerde om meer mededogen voor mezelf te hebben.’

Heb je wel eens je heil gezocht in heel rare dingen?
‘Soms spookten er wel radicale oplossingen door mijn hoofd. Dan dacht ik: ik ga een jaar lang weg in m’n eentje, ik ga echt boeddhist worden, ik stop met schrijven en word boswachter. Maar uiteindelijk ben ik daar dan toch te laf voor. Meestal deed ik dan een klein stapje in die richting, waarna ik me alweer wat beter voelde en dacht: ach, laat ook maar.’

De midlifecrisis lijkt zich te hebben getransformeerd in een quarterlifecrisis. Waarom denk je dat we tegenwoordig steeds jonger last krijgen van klachten als burn-out en depressie?
‘Aan de ene kant blijven we langer jong en leunen we langer op onze ouders, maar aan de andere kant worden we sneller volwassen. De wereld is zo snel en zo gecompliceerd geworden, en wij hebben daar weinig beschermlagen tegen opgebouwd. Dat is het nadeel van vrijheid. Ik denk dat we als twintigers eerder in aanraking komen met vragen waar je vroeger pas rond je vijftigste aan toe was, zoals ‘wie ben ik’ en ‘waar doe ik het voor’… Het zijn voor een deel luxevragen, daar hebben we nu tijd voor. Bovendien hebben onze ouders ons ingeprent: word wie je bent. Het maakt niet uit of je geld verdient, want dat hebben wij wel. Jezelf leren kennen is in principe iets heel elitairs. Wij hebben daar de ruimte voor, dus worden wij lekker ongelukkig.’

“Ik was twintig jaar oud en ik kon niet klaarkomen. Tenminste, ik kon het heel goed. Maar het lukte me nooit met een ander erbij.” (p.197)

Je bent heel erg open. Je vertelt over je mislukte soloreis, hoe je verslaafd raakt aan porno, dat je niet kunt klaarkomen… Wat deed je besluiten zulke intieme details met ons te delen?
‘Zo ben ik opgevoed. Ik leef voor goede, openhartige verhalen. Eigenlijk zit ik elk gesprek te wachten op dat moment waarin de anekdotes over tafel vliegen en je elkaar opzweept om nog mooiere verhalen te vertellen. Of liever: gênante momenten. Of nog beter: gênante seksverhalen. Het heeft ook te maken met mijn achtergrond in de stand-up comedy. Het lukte me daar niet om mezelf te laten zien. Ik kreeg vaak het verwijt dat ik een trucje deed. Daar heb ik nog lang nadat ik stopte mee gezeten. Het boek is daar in zekere zin een antwoord op.’

Waarom lukte het je bij de Comedytrain niet om jezelf zo bloot te geven als in je boek?
‘Ik denk dat ik op het podium krampachtig probeerde voldoen aan de verwachtingen van mensen die al boven me stonden. Daar prikten ze in Toomler zo doorheen. “Je staat een opdracht uit te voeren”, zeiden ze. Bij de krant had ik hetzelfde. Toen ik voor nrc.next schreef, was ik Rob Wijnberg aan het nadoen. Dan dacht ik dat het altijd over een filosoof moest gaan. Tot op een gegeven moment de filosofen op waren en ik in paniek raakte.’

Was het boek voor jou ook een oefening om jezelf te laten zien?
‘Het was vooral een oefening in toewijding en geduld. Ik had helemaal geen geduld. Ik weet nog dat mijn redacteur bij de Bezige Bij vroeg: “Heb je een lange adem?” en dat ik sidderde van angst. Als ik me voorstelde hoe ik maandenlang iedere dag zou zitten schrijven, voelde ik direct een enorme eenzaamheid over me heen komen. Nee! Dacht ik dan. Ik wil niet alleen zijn. Laat me niet alleen!’

Maar het viel uiteindelijk wel mee, toch?
‘Nou, in het begin ging het alleen zijn en schrijven helemaal niet goed. Na mijn eerste hoofdstuk liep ik ontzettend vast. Ook in mijn relatie ging het mis en tot overmaat van ramp scheurde ik mijn kruisband af, met een operatie en negen maanden revalidatie tot gevolg. Ik vond het allemaal super eng. Ik had al maanden niks meer geschreven, ik was bang geworden voor dat boek. Soms probeerde ik de feedback die ik had gekregen te verwerken, maar zodra ik daaraan begon, voelde ik de angst opkomen en stopte ik weer. Gek genoeg was het juist die knie-operatie die hielp. Ik kon weinig anders dan stilzitten, dus begon ik weer met schrijven. Zo ontdekte ik dat het helemaal niet zo eng was, als ik maar niet in grote sprongen dacht, maar in kleine stapjes. Dan zei ik tegen mezelf: ik heb een goede zin geschreven vandaag. Morgen weer een dag.’

“Ik merk de laatste tijd dat mijn geduld steeds beperkter wordt. Als mijn trein tien minuten vertraging heeft, begin ik woest op en neer te benen op het perron. Achter de computer verander ik helemaal in een klein kind: zodra de informatie die ik zoek niet direct aan mij wordt aangeboden of mijn internetverbinding te traag is, begin ik de nukkige geluidjes van een driejarige te maken. Alles moet snel en efficiënt zijn, anders word ik woedend.” (p. 86)

Hoe is het nu met je geduld?
‘Beter, maar het is nog steeds een valkuil. Ik wil nog altijd snel, veel en groot. De relatiecrisis die ik meemaakte, was ook een symbool daarvan. Ik wilde veel te veel. Bij dokter Engel gooide ik mijn frustratie en angsten eruit. Ik zei: “Er was laatst een avond waarop we elkaar gewoon niks meer te zeggen hadden. Dat is toch een teken dat je het moet uitmaken, of niet?”
“Nee,” zei hij. “Een relatie verbreken doe je niet op basis van een lijst met criteria, of een moment dat niet aan je verwachtingen voldoet. Dat doe je zoals je van een feestje vertrekt: opeens weet je dat het tijd is om te gaan.”
“…Oké. Maar wat moet ik dan doen?” vroeg ik aarzelend.
“Wachten.”
En dat is vaak een goed advies: maak nooit een beslissing vanuit paniek. Niet alles is altijd leuk, lekker en makkelijk.’

Een grootse mislukking

Nieuwsgierig geworden naar Rutgers boek Een grootse mislukking? Bestel het op Bol.com. Rutger werkt inmiddels alweer aan een tv-serie, een film en boek nummer twee.

Reacties
Like of deel dit met je vrienden!
  • 27
  •  
  •  
  •  
  •  
  •  
    27
    Shares